
Wet fiscale behandeling van pensioenen
Artikel VII
1
Op voordracht van Onze Minister van Financiën, in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, kunnen ter zake van pensioenregelingen bij algemene maatregel van bestuur nadere, van hoofdstuk IIB en artikel 38a van de Wet op de loonbelasting 1964 afwijkende regels worden gesteld. Hierbij kan het maximum van het te bereiken ouderdomspensioen niet lager worden gesteld dan per dienstjaar 2 percent van het pensioengevend loon in een middelloonstelsel.
2
Uiterlijk binnen zes maanden na het tijdstip waarop de krachtens het eerste lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur in werking treedt, wordt een voorstel van wet tot goedkeuring van dat besluit aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal gezonden. Indien het voorstel wordt ingetrokken of indien een van de kamers der Staten-Generaal tot het niet aannemen van het voorstel besluit, worden onverwijld de afwijkende regels ingetrokken met ingang van het tijdstip waarop de krachtens het eerste lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur in werking treedt dan wel in werking is getreden.
Jurisprudentie bij dit artikel
- Hieronder wordt een selectie van de bijbehorende jurisprudentie getoond.
- Geen resultaten gevonden voor de door u opgegeven zoek termen.